Het VLAIO LA-traject OrnAqua kwam er naar aanleiding van de droge zomers in 2017, ’18 en ’20. Vollegrondssiertelers hadden geschikte tools nodig, met inbegrip van bodem- en plantsensoren om irrigatie te sturen, maar waren ook sterk geïnteresseerd in methodieken om water langer in de bodem te houden en in andere droogte-mitigerende maatregelen. Het doel van het project was dan ook om een referentiekader voor irrigatie in de vollegrondssierteelt uit te werken met praktisch toepasbare methodes, zodat de sierteler op een duurzame manier water kan inzetten in zijn bedrijfsvoering.
Biedt irrigatie een meerwaarde in de laanbomenteelt?
Vier jaar lang volgden we de waterstatus op van onder meer laanbomen onder limiterende (geen irrigatie) en niet-limiterende vochtomstandigheden (100% irrigatie volgens bodemwaterbalansmodel). Dit deden we aan de hand van verschillende bodem- en plantsensormetingen, welke we bundelden in de handige innovatiegids ‘Slimme irrigatiesturing’ voor sierteelt vollegrond. Deze gids geeft een overzicht van mogelijke bodem- en plantsensoren en van irrigatiemodellen met hun theoretische achtergrond, werkwijze, praktische toepassing en voor- en nadelen.
Je kan de Innovatiegids 'Slimme irrigatiesturing' voor sierteelt vollegrond terugvinden door op de titel te klikken.
Bodemniveau
Op basis van de 4-jarige proef op Carpinus betulus waren we in staat om het bodemwaterbalansmodel van de Bodemkundige Dienst van België te kalibreren voor de teelt van laanbomen. Dit model simuleert het bodemvocht voor de komende dagen op basis van bodemkarakteristieken en de weersgegevens, waaruit een wekelijks irrigatieadvies kan worden opgesteld.
Door de vele bodem- en plantmetingen te combineren, bepaalden we bovendien de interventiedrempel op bodemniveau. Deze drempel stelt de grens vanaf wanneer groei geremd wordt onder droogtestress. Voor laanbomen werd deze grens gedefinieerd op pF 2,7 of 50 kPa. Ook voor de teelt van bosgoed, potchrysant en zomersnijbloemen werden interventiedrempels bepaald (zie Innovatiegids p. 48).
|
|
|
| Proefopstelling irrigatieproef in laanbomen (Carpinus betulus). |
Aanplant Acer pseudoplatanus voor proef met biostimulanten en wetting agents in 2025. |
Plantniveau
Met plantsensoren zoals sapstroomsensoren en dendrometers volgden we continu (elke 5 minuten) de waterstatus in de boom en zijn groei op, vanaf het ontluiken van de bladeren tot bladval. Deze sensormetingen gaven ons interessante inzichten in de momenten tijdens het groeiseizoen wanneer irrigatie het grootste effect heeft, althans voor Carpinus.
Tijdens het eerste deel van het groeiseizoen, mei tot juli, zagen we een sterke en onmiddellijke reactie van de bomen op irrigatie, met een dubbel zo hoge sapstroom en sterkere stamdiametergroei ten opzichte van de bomen die niet geïrrigeerd werden.
Vanaf september bood irrigatie weinig meerwaarde. Hoewel het najaar vaak nog warm en zonnig is en het weer nog groeizaam lijkt, levert de toegediende irrigatie amper tot geen extra groei meer op. Na vier jaar hadden de geïrrigeerde bomen een grotere stamdiameter en werd er een verschuiving in de sorteringsklassen waargenomen (Figuur 1), maar is deze verschuiving ook economisch rendabel?
|
|
|
|
Figuur : Effect van irrigatie tijdens jaar 2, 3 en 4 op de verdeling van Carpinus betulus in de sorteringsklassen (in cm).
|
|
Is irrigatie economisch rendabel in deze teelt?
Voor de Carpinus-casestudie werd een kosten-batenanalyse uitgevoerd, waarbij vaste kosten (druppelslangen, koppelstukken,…) en variabele kosten (arbeid, energie, water,…) van het irrigatiesysteem werden vergeleken met de potentiële opbrengst per ha. De berekeningen gebeurden met de binnen dit project ontwikkelde rekentool voor irrigatiekosten in de vollegrondssierteelt. Hieruit blijkt dat de potentiële meerwaarde per ha voor deze case ongeveer 40.000 euro bedraagt.
Met behulp van het bodemwaterbalansmodel werd ook de gemiddelde irrigatiebehoefte van Carpinus in een gemiddeld jaar bepaald. Op basis van deze cijfers kon de gemiddelde meeropbrengst per mm irrigatie bepaald worden. Voor Carpinus bedraagt deze 156 euro/ha/mm. De volledige casestudie en de rekentool zijn online te raadplegen, samen met enkele andere uitgewerkte casestudies.
Droogte-mitigerende technieken
Wanneer irrigatie niet haalbaar is, kunnen droogte-mitigerende technieken worden ingezet om plant en bodem weerbaar te maken tegen droogtestress. Binnen OrnAqua werd het effect van biostimulanten en wetting agents in niet-beregend bosplantsoen onderzocht. Biostimulanten stimuleren natuurlijke processen en kunnen zo potentieel de droogtetolerantie verhogen. Wetting agents kunnen, afhankelijk van het type, bodemvocht vasthouden of de waterinfiltratie verbeteren.
In 2024 en 2025 werd een proef aangelegd in 2-jarig bosgoed Acer pseudoplatanus, waarbij vijf producten werden getest ten opzichte van een onbehandelde controle en een controle die 2-wekelijks water kreeg: een experimentele biostimulant op basis van zeewierextract Biostimulant T (10 l/ha, 2-wekelijks aangegoten), Humifirst (15 kg/ha, in het plantgat), een experimentele wetting agent EXP W (10 l/ha, 2-wekelijks aangegoten), Tonivit (10 l/ha, éénmalig aangegoten op de wortels bij aanplant) en H2Flo (0,5 ml/boom, maandelijks aangegoten). De plantkwaliteit werd 2-wekelijks opgevolgd via lengtemetingen. In het najaar van 2025 werd ook de boven- en ondergrondse biomassa bepaald (Figuur 2).
De groeirespons van de bomen varieerde sterk tussen de jaren. Humifirst zorgde in 2024 voor een sterkere groei bij de start van het seizoen, maar dit effect verdween in 2025. In 2025 presteerden Biostimulant T, EXP W en Tonivit beter dan de onbehandelde controle. Tegen het einde van het groeiseizoen namen de verschillen in groei echter af.
Bomen met meer lengtegroei hadden ook meer bovengrondse biomassa, vooral bij de behandelingen met EXP W en Tonivit. Het drooggewicht van de wortel is hier ook het grootste. De resultaten suggereren dat de geteste producten voornamelijk aan het begin van het groeiseizoen de inworteling en opstart ondersteunen, eerder dan verhoging van de groei en eindlengte van de plant. De verschillen tussen de teeltjaren benadrukken het belang van omgevingsfactoren en hun interactie met deze types producten.
|
|
|
Figuur 2: Drooggewicht bovengrondse en ondergrondse massa per behandeling in een proef met Acer (2025).
|
|
Meer info
Isolde De Beule
Paulien De Clercq
Dit artikel kadert in het VLAIO LA-traject 'OrnAqua: een nieuw referentiekader voor irrigatie voor efficiënter watergebruik in de openluchtsierteelt'.

